Kennis in kaart (VK 2/2014)

Wie doceert wat over ruimte en mobiliteit in Nederland?

maandag 17 maart 2014 3 reacties 806x gelezen

Geertje Braam, student NHTV
Mike Bérénos, AVB Onderwijs&Mobiliteit
Jan Klinkenberg, Platform31 (Transumo Footprint)

Onderaan dit artikel vindt u deze afbeelding in een groter formaat

Onderaan dit artikel vindt u deze afbeelding in een groter formaat

Kennis delen en bundelen, versnippering tegengaan en samenwerken. Dat zijn belangrijke ambities in een vakgebied. Weet hebben van elkaars kennis is daarvoor een eerste vereiste, en juist die kennis ontbreekt. In een pilotstudie is onderzocht welke kennis er op het gebied van mobiliteit en ruimte, vooralsnog in Nederland, aanwezig is. In een nieuw format is nu de kennis van twee hbo-instellingen en twee universiteiten ‘in kaart gebracht’. Ook zijn, weliswaar voorzichtig, al enige opmerkelijke conclusies te trekken.

Inleiding
Een visie op mobiliteit (Bérénos, NVC 2013) laat zien dat mobiliteit, verkeer en vervoer zeer bepalend zijn voor het functioneren van een samenleving. Drie systemen zijn daarbij onlosmakelijk met elkaar in samenhang: het maatschappelijk systeem, het ruimtelijk systeem en het verkeers- en vervoersysteem (in brede zin het communicatief systeem). Zie afbeelding 1.



Afbeelding 1: De drie samenhangende systemen

Het vakgebied verkeer, vervoer en mobiliteit is samen met het vakgebied dat zich met het ruimtelijk systeem bezig houdt, al geruime tijd met succes op zoek naar samenhang en integraliteit. Met het zoeken naar nog andere samenhangen is ook een bescheiden begin gemaakt.

De vraag is wat hiervan in het onderwijs actueel en zichtbaar is. Een Kenniskaart MOBiliteit in Nederland (KMOBiN, afbeelding 2) opgevraagd in apart bestand kan hierop een antwoord geven. Daarbij gaat het om de kennis van mobiliteit en aanpalende disciplines, zoals stedenbouw, planologie, sociologie, sociale geografie of sociale psychologie. KMOBiN heeft het uiteindelijk niet alleen over de kennis die bij onderwijsinstituten zit, maar ook bij overheden, bedrijfsleven en onderzoeksinstellingen. Deze pilot richt zich, om te beginnen op het onderwijs, in casu het Wetenschappelijk onderwijs (Wo) en het Hoger beroepsonderwijs (Hbo).


Afbeelding 2: over KMOBiN


Drijfveren voor een KMOBiN
Wat kunnen we doen met een Kenniskaart en met een dergelijke kennis-inventarisatie?

  • a) aanvullend onderdeel van het Kennisportal Mobiliteit en Transport (KMT, http://www.kennisovermobiliteit.nl/). In het kennisportaal zit informatie over kennis bij overheden en bedrijven. KMOBiN, met het onderdeel onderwijs, is een belangrijke aanvulling voor dit portal. Het is de bedoeling dat vanuit deze pilot uiteindelijk een database ontstaat waarin alle opleidingen in Nederland die met mobiliteit en ruimte te maken hebben, wordt opgenomen op de portal KMT. Dan kunnen onderwijsinstellingen, bedrijven, overheden en onderzoekinstellingen makkelijk met elkaar in contact komen en van elkaar weten wie wat doet. Voor onderwijs wordt het dan bijvoorbeeld ook inzichtelijk voor studenten om leeronderdelen op een andere instelling te volgen als ‘bijvak’ (minor) om zo een ‘hiaat’ in de eigen opleiding aan te vullen. Zie ook ad b).

  • b) Onderwijsinstituten informeren over wie wat doet. Samenwerken, om nationaal gezien efficiënter met het aanbod aan onderwijs op dit gebied om te gaan en dus versnippering tegen te gaan.

  • c) Met name middelbare scholieren informeren over welke typen opleidingen er in Nederland zijn op het gebied van mobiliteit en ruimte, en wat er concreet aan leerdonderdelen wordt aangeboden. Hbo-opleidingen die structurele samenwerking met Wo-instellingen zijn aangaan, kunnen dit gebruiken als informatie richting middelbare scholieren. Dit kan aantrekkelijk zijn voor deze doelgroep en zo kan de instroom naar Hbo instellingen en (secundair) van Hbo instellingen naar Wo instellingen worden vergroot.

Overigens kan de database uiteindelijk weer omgezet worden in een digitale kaart van Nederland, waar bijvoorbeeld een aankomend student met een paar muisklikken makkelijk de opleiding kan vinden  en kan samenstellen die bij hem of haar past.

De pilot
Doel van de pilot is dus het in beeld brengen van de kennis die er op het gebied van mobiliteit en ruimte aanwezig is bij onderwijsinstellingen. Vervolgens kan dan ook aangegeven worden of de gevolgde werkwijze van de pilot op groter schaal toegepast kan worden.

Onderzochte onderwijsinstellingen
Om praktische reden is er met drie Wo-instellingen en drie Hbo-instellingen gewerkt. Op grond van netwerkrelaties zijn de volgende instellingen geselecteerd en gevraagd mee te doen:

  • Universiteit van Amsterdam, faculteit der Maatschappij- en gedragswetenschappen, sociale geografie en Planologie
  • Universiteit van Utrecht, faculteit Sociale Geografie en Planologie
  • Radboud Universiteit Nijmegen, faculteit der managementwetenschappen, afdeling Planologie
  • NHTV Breda, Stedenbouw, Logistiek en Mobiliteit
  • Windesheim Flevoland, Almere
  • NHL, Leeuwarden.

Uiteindelijk hebben Universiteit van Amsterdam, Universiteit van Utrecht, NHTV en Windesheim gereageerd. Met deze vier onderwijsinstellingen is de pilot ingegaan.

De Universiteit van Amsterdam betreft een driejarige bachelor sociale geografie en planologie en een één-jarige master urban and regional planning. Voor de Universiteit van Utrecht zijn eveneens twee opleidingen bestudeert: de bachelor sociale geografie & planologie die drie jaar duurt en de master Planologie die één jaar duurt. De opleiding Mobiliteit in Breda bestaat uit vier studiejaren, waar in het derde jaar twee stages van elk drie maanden worden gelopen en in het vierde jaar een afstudeerstage wordt gelopen, een half jaar. Van Windesheim moet nog vermeld worden dat het de nieuwe, 2 jaren geleden gestarte opleiding in Almere betreft. Hier is dus alleen informatie bekend over de eerste twee studiejaren.

Format indeling kennisterrein en werkwijze
Voordat de kennis die bij de vier onderwijsinstellingen aanwezig is kan worden verwerkt, moet het duidelijk worden wat het kennisgebied mobiliteit en ruimte inhoudt. Het kennisgebied moet zodanig worden ingedeeld dat de individuele leeronderdelen in een format kunnen worden geplaatst. Na intensief overleg met onder andere de betreffende contactpersonen (experts) van de onderwijsinstellingen is uiteindelijk gekozen voor het in afbeelding 3 aangegeven format, lees: indeling van het kennisterrein ‘Mobiliteit en Ruimte’.

Klik hier voor afbeelding 3

Afbeelding 3: Format voor het kennisterrein ‘Mobiliteit en Ruimte’

De kolommen geven in principe aan ‘hoe’ te werk wordt gegaan bij het bestuderen en oplossen van de vraagstukken over mobiliteit en ruimte. De rijen geven dan aan ‘waarover’ het kan gaan.

De indeling van de kolommen is volgens het principe van de beleidscyclus (beleid, onderzoek, planning, realisatie, evaluatie, beheer en onderhoud). Alleen de beleidscyclus was niet genoeg om alle leeronderdelen in te kunnen delen. Daarom zijn aan deze kolommen een kolom theorie en een kolom theorie van planning toegevoegd. De indeling van de rijen gaat dus over de inhoud van de leeronderdelen en de inhoudelijke thema’s.

Voor de indeling van de leeronderdelen in de kolommen en rijen is het van belang om te weten waar elk onderdeel in de format voor staat. Om de leeronderdelen in te kunnen delen moet er informatie verzameld worden over de leeronderdelen van de opleidingen, zodat het duidelijk wordt in welke kolom en welke rij het leeronderdeel valt. Hiervoor is voor elke instelling een werkdocument gemaakt dat per leeronderdeel een korte omschrijving geeft van:

  • het doel van het leeronderdeel
  • de inhoud van het leeronderdeel
  • studiepunten voor het leeronderdeel
  • welke werkvormen er aan bod komen in het leeronderdeel
  • periode en jaar waarin het leeronderdeel gegeven wordt
  • de code en plaats van het leeronderdeel in de format
  • toelichting waarom het onderdeel in een bepaalde rij en kolom komt te staan
     

Aan de hand van de omschrijvingen van de in de kolommen en de rijen gehanteerde begrippen, zijn in werkdocumenten (informatie uit studiegidsen) aangegeven waar het leeronderdeel in de format geplaatst wordt, en waarom. Op basis van deze omschrijvingen (zie begripsomschrijvingen onderaan) wordt het leeronderdeel dus in de format geplaatst. Soms is het nodig een leeronderdeel op meerdere, hooguit drie, plekken in de format te laten terugkomen. Dit geldt met name voor de wat omvangrijkere leeronderdelen (vaak beduidend meer dan 6 ECT’s/studiepunten). Steeds is gemakshalve de opdeling van de studiepunten voor zo’n leeronderdeel gelijkmatig gedaan. In de werkdocumenten is ook terug te vinden hoe de codes van de leeronderdelen in elkaar zitten.

Na het invullen van de codes van de leeronderdelen in het format van het kennisterrein mobiliteit en ruimte zijn er uiteindelijk vier ingevulde formats op bachelor niveau, één van elke instelling, verkregen. Voor de twee universiteiten zijn ook voor de master formats verkregen.

Resultaten
De resultaten en de daaruit voortvloeiende conclusies zijn vooralsnog onder voorbehoud, omdat de resultaten nog besproken moeten worden met de instellingen die aan het onderzoek hebben meegedaan.

Er zijn dus tabellen (formats) ontstaan die ingevuld zijn volgens afbeelding 3 voor de vier onderwijsinstellingen. Deze zijn vanwege de gedetailleerdheid niet in dit artikel opgenomen, maar zijn wel beschikbaar. Wat opvalt is dat bij alle onderzochte onderwijsinstellingen ‘Realisatie’ en ‘Onderhoud/beheer’ (in de kolommen) nauwelijks of niet aan de orde zijn. Dat geldt ook voor ‘Mens’ en ‘ICT’(in de rijen). Daarnaast valt op dat er relatief veel leeronderdelen terecht zijn gekomen in de rij ‘Inleidend/algemeen’. Per onderwijsinstelling schommelt dit percentage tussen de 40 en 60 procent van het totaal aantal studiepunten.

Wellicht is verdere opsplitsing noodzakelijk. Met dit in gedachten worden, om de resultaten enigszins overzichtelijk te maken, de kolommen onder onderzoek (in afbeelding 3) samengenomen, zo ook voor planning. In de rijen is dit ook gedaan voor ICT. Voor een vooralsnog puur kwantitatieve analyse worden in de nieuwe, onderstaande tabellen (met 7 kolommen en 10 rijen) voor elke cel de aanwezige studiepunten (ECT’s) weergegeven.

  • Cellen met geen studiepunten blijven wit.
  • Cellen tot en met 6 studiepunten krijgen de kleur oranje.
  • Cellen meer dan 6 tot en met 12 studiepunten krijgen de kleur lichtgroen.
  • Cellen meer dan 12 studiepunten krijgen de kleur donkergroen.

De grenzen zijn arbitrair aangenomen. Onderstaande tabel laat het resultaat van deze exercitie zien bij NHTV.

De leeronderdelen die onder het thema ‘Mens’ vallen zijn alleen bij de Universiteit van Amsterdam niet of nauwelijks in afzonderlijke leeronderdelen aanwezig. Bij de overige instellingen in geringe mate, met de Universiteit van Utrecht als uitzondering.

Zonder te kijken naar de gemiddelde grootte van de afzonderlijke leeronderdelen kan gezegd worden dat op het niveau van bachelor over alle instellingen bezien, de vulling van de format bij de Universiteit van Utrecht en de NHTV het grootst is. Met de masters van de beide universiteiten erbij is dit ook voor de Universiteit van Amsterdam het geval. Opgemerkt moet worden dat Windesheim-Flevoland pas 2 jaren geleden van start is gegaan en het materiaal dus materiaal van 2 jaren betreft. Het thema ICT duikt alleen op bij de Universiteit van Utrecht, en een beetje bij Windesheim-Flevoland. Verder valt op dat alle onderzochte instellingen niet of nauwelijks aan het thema ‘Onderhoud en beheer’ doen. Windesheim-Flevoland besteed daar tot nu toe 2 studiepunten aan. En ook het thema ‘Realisatie’ komt niet of nauwelijks aan bod.  

Conclusies
Omdat het onderzoek een pilot betreft is het belangrijk om aan te geven wat er bij een eventueel vervolg van het onderzoek aangepast zou moet worden voor betere resultaten. Desondanks zijn er op basis van wat we nu zien, voorzichtig en dus onder voorbehoud wat indicaties te geven over transities die vakinhoudelijk zouden moeten plaatsvinden. 

Transitie ten aanzien van de werkwijze

  • Het kennisterrein is ingedeeld met informatie op de horizontale as (de kolommen: ‘hoe ga je als professional te werk?’) en informatie op de verticale as (de rijen: ‘waarover gaat het?’). Deze indeling op twee assen kan worden behouden, omdat hierdoor meer informatie kan worden afgelezen (in Excel). Een leeronderdeel kan nu bijvoorbeeld over theorie én vervoernetwerken gaan.

  • De indeling is bij deze pilot redelijk uitgebreid. Een verdere opsplitsing van de leeronderdelen die nu onder ‘Inleidend/algemeen’ terecht zijn gekomen is wellicht noodzakelijk. Relatief te veel leeronderdelen vallen nu hieronder. Bekeken moet worden of dit mogelijk is.

  • In het vervolg is het zeker aan te raden de gesprekken met de experts door te zetten. Voor deze pilot is na een bezoek aan een Wo-instelling bijvoorbeeld de kolom theorie toegevoegd, omdat anders veel leeronderdelen van de betreffende instelling lastig in te delen waren. Deze gesprekken hebben dus wel degelijk een bijdrage gehad aan het ontwerp van de format. 

Transitie ten aanzien van de invulling van het format

  • Naast het eventueel opsplitsen van de leeronderdelen die onder ‘Inleidend/algemeen’ terecht zijn gekomen is het ook beter om omvangrijkere leeronderdelen op meerdere plaatsen in de format terug te laten komen. Een groter leeronderdeel heeft vaak een hoofdonderwerp en daarbij bijvoorbeeld nog een opdracht om bijvoorbeeld een onderzoek te doen. Dit leeronderdeel staat nu op de plaats van het hoofdonderwerp, zodat het lijkt alsof er geen onderzoekscomponent is bij dit leeronderdeel. Door het leeronderdeel ook bij onderzoek te zetten is het duidelijk dat het leeronderdeel meerdere aspecten bevat. Hierdoor wordt ook duidelijk hoeveel de instelling, in dit geval, precies aan onderzoek doet.

  • Bij de instellingen is meer informatie aanwezig dan alleen de leeronderdelen. Er zijn ook stage-, onderzoeks- en promotieverslagen aanwezig bij de onderwijsinstellingen. Deze verslagen zouden in eerste instantie ook opgenomen worden in deze pilot, voor een beter beeld van de informatie die aanwezig is bij de instellingen, maar door de hoeveelheid verslagen is dit komen te vervallen. Voor een vervolg is het zeker nodig deze verslagen ook op de een of andere manier mee te nemen. Weliswaar is duidelijk dat dit soort leeronderdelen meer appelleren aan vaardigheden dan aan kennis, maar er kan toch een kenniselement in zitten.

  • Het werken met een werkdocument, waarin alle informatie over de leeronderdelen van een opleiding, is voor een vervolg een belangrijk onderdeel bij de invulling van het format. Het is een naslagwerk dat parallel loopt met het format en de indeling voor het werkdocument kan voor volgende keren weer worden gebruikt. Een aanbeveling is dat de onderwijsinstellingen jaarlijks zelf zorgen voor dit werkdocument en de betreffende invulling van hun format. Deze informatie komt uiteindelijk ook op de website van het Kennisportaal Mobiliteit en Transport (KMT), met alle pre’s voor de betreffende opleidingen. Te denken valt aan: verdere bekendheid met het curriculum, bekendheid met doorstroommogelijkheden voor studenten (indien van toepassing), mogelijkheden tot samenwerkingen van onderwijsinstellingen (horizontaal Wo-Wo en Hbo-Hbo, maar zeker ook verticaal Hbo-Wo).

Transitie ten aanzien van de vakinhoud

  • Voor het vervolg zou het onderzoek uitgebreid moeten worden naar meer instellingen. Zie ook de Inleiding over het nut van KMOBiN. Het onderzoek zou eventueel opgesplitst kunnen worden in een Hbo deel en een Wo deel (onderling horizontaal vergelijk), waarna weer een ander onderzoek deze beide onderzoeken aan elkaar kan koppelen (verticaal vergelijk). Zo zouden uiteindelijk alle instellingen die in het kennisterrein ‘Mobiliteit en Ruimte’ vallen, in één onderzoek worden betrokken.


  • Met enige zekerheid kan toch gezegd worden dat bij de onderzochte onderwijsinstellingen de thema’s ‘Realisatie’ en ook ‘Onderhoud/beheer’ er tot nu toe maar magertjes afkomen. Dat kan een bewuste keuze zijn. Indien dit niet het geval is moet deze transitie gemaakt worden. In de toekomst zullen deze zaken pregnant aan de orde zijn.

 

  • Hetzelfde geldt voor het thema ICT (voertuigtechniek, en ook de zo te noemen digitale mobiliteit en de samenhang met de fysieke mobiliteit). Hier spelen bedrijven als Google en Tom-Tom ook een belangrijke rol.

 

  • Niet iedere onderwijsinstelling hoeft de transities door te voeren. Wel zou gezamenlijk het onderwijspalet voor de toekomst vastgelegd moeten worden. Dat vereist structureel samenwerken tussen onderwijsinstellingen!

 

  • Het onderzoek moet niet alleen uitgebreid worden met meer instellingen, maar kan ook nog uitgebreid worden naar Europa. Door uiteindelijk alle instellingen van Nederland en Europa op een overzichtelijke manier te beschrijven en op een centrale website te zetten, wordt het:

 

    • voor aankomende studenten makkelijker om te bekijken welke opleiding welke kennis in huis heeft, en ook wat de mogelijkheden zijn om internationaal te gaan. Een student kan daardoor dus een opleiding kiezen die hem of haar het meest aanspreekt.

 

    • voor onderwijsinstellingen makkelijker om tot samenwerken te komen.

 

    • voor het bedrijfsleven en overheden makkelijker om te zien welke opleiding welke kennis in huis heeft en wellicht ook daar tot samenwerkingen te komen.

 

  • onderwijsinstellingen kunnen meer met elkaar gaan samenwerken om de student een zo breed (of gespecialiseerd) mogelijke opleiding aan te bieden. De instellingen kunnen bijvoorbeeld meer toestaan dat studenten een leeronderdeel volgen bij een andere onderwijsinstelling. Daar moeten onderling dan ook structurele, op directieniveau afgekaarte afspraken over gemaakt zijn.
     

Dit zijn allemaal mogelijkheden van wat er kan en moet gebeuren als het overzicht compleet is. En natuurlijk is er in Nederland niet alleen kennis over mobiliteit en ruimte bij onderwijsinstellingen. Ook bij bedrijven, overheden en onderzoeksinstellingen zit er kennis. Een inventarisatie hiervan hoort ook bij het totale plaatje, ofwel, de kenniskaart mobiliteit in Nederland: KMOBiN.

Literatuur

  1. Bérénos, M, NVC, 2013 ‘Een visie op het vakgebied en de consequenties voor het mobiliteitsonderwijs’

  2. Bérénos, M, 2013 ‘KMOBIN naar een Kenniskaart MOBiliteit In Nederland’, in “Samen kleur geven aan verkeerskunde”, Verkeerskunde, april 2012

  3. Braam G, stage 28 november 2013 ‘Pilot voor een vergelijking tussen kennis bij onderwijsinstellingen in Nederland, op het gebied van mobiliteit en ruimte’

  4. Braam G, stage 28 november 2013 ‘Werkdocumenten bij stage van G.Braam’

  5. UvA, UvU, NHTV, Windesheim-Almere, 2013

  6. Studiegidsen van de betreffende opleidingen 

Hieronder de begripsomschrijvingen

De kolommen
Kolom Beleid:
leeronderdelen die te maken hebben met wat beleid is en hoe beleid in elkaar zit en leeronderdelen die nodig zijn om de wereld van beleid te leren begrijpen.

Kolom Theorie: theoretische kennis in de opleiding op het gebied van mobiliteit en ruimte, anders dan de kennis bij onderzoek-algemeen. Dit kan bijvoorbeeld een leeronderdeel zijn dat de geschiedenis van de Nederlandse Planologie behandelt door middel van bepaalde theorieën die toen gebruikt werden.

Onderzoek 

  • Algemeen: leeronderdelen die zorgen dat de student onderzoek kan gaan uitvoeren, dus de basiskennis van wetenschappelijk onderzoek bijvoorbeeld, maar ook theorieën over welke manier van onderzoek het best is. Ook de technische kant van onderzoek, dus hoe onderzoek gedaan moet worden, statistiek , de probleemanalyse en het onderzoeksproces bijvoorbeeld, de methoden en technieken dus.

  • Dataverzameling: leeronderdelen die met het verzamelen van gegevens te maken hebben op allerlei manieren

  • Dataverwerking: hier vallen alle leeronderdelen onder die over het verwerken van data gaan, maar ook de leeronderdelen die een heel onderzoek omvatten van begin tot eind (bijvoorbeeld een bachelorthesis of stage)

    • Empirie (beschrijvend): verwerking van resultaten/gegevens van onderzoek dat op waarnemingen berust; tellen, meten, enquetes bijvoorbeeld. Een leeronderdeel over het maken van statistieken/grafieken op basis van een enquête valt hier bijvoorbeeld onder

    • Modellen (verklarend): verwerking van resultaten/gegevens in modellen, bijvoorbeeld het maken van een simulatiemodel

Planning: met planning worden voor zowel mobiliteit als ruimte de plannen bedoeld;  vlekkenplannen, structuurvisies, nota’s, opstellen van beleidsplannen, verkeer- en vervoerplannen, verkeerstechnische ontwerpen, stedenbouwkundige ontwerpen en wat een student moet weten om de plannen te kunnen bedenken. Er zijn bij planning drie deelkolommen:

  • Theorie van planning: kennis over de verschillende manieren die mogelijk zijn om projecten en andere zaken te plannen, theorie over bijvoorbeeld fasering van plannen valt hieronder.

  • Gemeente +: gemeente+ is wijk/buurt/straat niveau en gemeentelijke samenwerkingsverbanden.

  • Regio+: regio+ zijn regionale, nationale en plannen van grotere omvang, ook internationaal.

Realisatie: de realisatie van plannen; zorgen voor de uitvoering van plannen. Daar hoort dus bijvoorbeeld zorgen voor financiering, het stakeholderspel en ook projectmanagement (uitvoering) bij.

Evaluatie: bestaande plannen evalueren, bijvoorbeeld door middel van een multicriteria-analyse of voor- en na-onderzoek.

Onderhoud/Beheer: leeronderdelen over herinrichting of gericht op het rekening houden met beheer en onderhoud tijdens het ontwerpproces, maar ook het betrekken van de bewoners bij het beheren van de groenvoorzieningen in een wijk. Ook een leeronderdeel over het beter benutten van bijvoorbeeld capaciteit op wegen of een inrichting van de ruimte hoort hierbij.

De rijen
Mens:
leeronderdelen gericht op gedragsbeïnvloeding van (potentiële) verkeersdeelnemers, bijvoorbeeld een leeronderdeel over hoe een vervoerwijzekeuze kan worden beïnvloed, hoe een ruimte zo kan worden ingericht dat er een ‘logische’ hoofdroute ontstaat of hoe het gedrag op straat kan worden beïnvloed, de ‘maatregelen’ voor en bij de mens dus.

Voertuig en techniek: leeronderdelen over bijvoorbeeld technologische innovaties op het gebied van voertuigen, zoals het automatisch afstand houden en afremmen, vallen hieronder, maar ook ontwikkelingen op het gebied van cameradetectie en motoren van auto’s die steeds schoner worden bijvoorbeeld. Ten slotte vallen ook de leeronderdelen die over het gebruik van informatie en communicatie technologie (ICT) gaan hieronder, bijvoorbeeld het informeren van weggebruikers over vertragingen onderweg via de mobiele telefoon.

ICT algemeen: de relatie van ICT in het algemeen met ‘mobiliteit en ruimte’ en leeronderdelen over ICT nog niet direct in relatie ergens mee

ICT digitale mobiliteit: mobiliteit in relatie met bijvoorbeeld sociale media en smartphones en de manieren van informatie overbrengen (communiceren).

Vervoernetwerken: leeronderdelen over vervoernetwerken voor verschillende modaliteiten, hoe deze ontstaan en wat er moet gebeuren om verschillende netwerken (vervoer onderling) aan elkaar te koppelen bijvoorbeeld.

Ruimtelijke netwerken (ruimtegebruik): andere soorten van ruimtegebruik dan de ruimte die gebruikt wordt voor vervoernetwerken, bijvoorbeeld voor een ruimtelijk netwerk van groene zones die aan een zijn geschakeld in een stad of gebouwen.

Functionele netwerken: bijvoorbeeld een kennisnetwerk waar TU/e en TU/d onderdeel van zijn of een netwerk van een supermarktketen in een stad. Ook de knooppunten die meerdere soorten netwerken bij elkaar brengen vallen hieronder.

Andere netwerken: netwerken anders dan vervoer, ruimte en functioneel, of een combinatie hiervan.

Organisatie: leeronderdelen over ‘hoe’, hoe partijen met elkaar samenwerken en welke relaties deze met elkaar hebben en bijvoorbeeld hoe de financiële kant van plannen in elkaar zit of hoe mobiliteit in bepaalde situaties georganiseerd wordt; bijvoorbeeld vervoermanagement en mobiliteitsmanagement bij bedrijven. Dus ook maatregelen om vraag en aanbod op elkaar af te stemmen horen hierbij en de leeronderdelen die het proces van besluitvorming beschrijven horen hierbij. Daarnaast is er ook nog van belang ‘wie’ wat doet tijdens een dergelijk proces, bijvoorbeeld een leeronderdeel waarin wordt gedoceerd hoe het ministerie in elkaar zit. Dit onderdeel gaat dus over wie doet wat en hoe wordt het gedaan?

Ruimtelijke effecten en kwaliteit: leeronderdelen over de effecten die plannen kunnen hebben op de leefbaarheid van gebieden, zoals geluidsoverlast door verkeer en uitstoot van uitlaatgassen. Ten tweede leeronderdelen gericht op de beleving van een locatie door de bezoekers en bewoners en hoe deze beleving bereikt getracht te worden. Ook de impact die netwerken op de ruimte hebben, welke effecten heeft de aanleg van een nieuwe weg voor de omgeving? En ten slotte leeronderdelen die betrekking hebben op zowel de sociale als de economische kant van onderwerpen, zoals een leeronderdeel over de gevolgen van een locatie van een bedrijf voor het bedrijf zelf en de omgeving van het bedrijf of waarom mensen met een bepaald soort inkomen op een bepaalde plaats wonen of willen wonen.

Klimaat, energie en duurzaamheid:  leeronderdelen over klimaat, energie en duurzaamheid kunnen bijvoorbeeld gaan over de materiaalkeuze voor een inrichtingsvoorstel, welke materialen zijn duurzaam, goed voor het klimaat en zorgen dat het gebouw energiezuinig is? Maar ook over de nieuwste vormen van energie waarop een vervoermiddel kan rijden.

Inleidend/algemeen: leeronderdelen die geheel inleidend zijn en bijvoorbeeld een aantal theorieën en basisbegrippen behandelen. Ook leeronderdelen die bij meerdere rijen kunnen horen vallen onder inleidend algemeen, een leeronderdeel waar de student bijvoorbeeld een onderwerpkeuze moet maken valt hier dus onder, omdat de indeling in de rijen afhangt van de keuze van het onderwerp (bv scriptie), maar ook een leeronderdeel dat veel theoretische basiskennis bevat over meerdere rijen valt hieronder. Voor elk leeronderdeel dat onder inleidend/algemeen valt is aangegeven wat het is: basis (basiskennis voor HBO/WO en voor het vakgebied), inleidend (het onderdeel omvat meerdere onderwerpen(rijen) omdat het inleidend is), onderwerp nog bepalen (de studenten moeten zelf een keuze maken voor het onderwerp of er wordt niet over inhoud gesproken in de studiegids (bijvoorbeeld bij excursies)), meerdere onderwerpen (een leeronderdeel heeft meerdere onderwerpen) en begeleidend (het leeronderdeel is een begeleidend onderdeel voor de student).).


Reacties

Reacties

Cor van der Klaauw 07/04/2014 17:11

Beste Mike,
Blijkbaar heeft de opleiding Mobiliteit van de NHL Hogeschool in Leeuwarden niet meegedaan aan het onderwijs. Als parttime docent aan de NHL vind ik dat jammer. Bij een update van de kenniskaart hoop ik dat wij informatie kunnen aanleveren; je kunt mij daarvoor benaderen.
Hartelijke groeten en tot ziens!
Cor van der Klaauw

Mike Berenos 19/03/2014 09:32

Dag Giuliano,
We noteren het. We maken er werk van voor een vervolg.

Giuliano Mingardo 18/03/2014 11:16

Ook de Erasmus Universiteit Rotterdam is druk bezig met opleidingen en onderzoeken op het gebied van mobiliteit.
Zie: http://www.eur.nl/english/rhv/research/transport_economics/

en

http://www.eur.nl/mma/

Alvast bedankt,
Giuliano Mingardo

Reageren

Invoer verplicht
Invoer verplicht
Invoer verplicht

 

 

















 

Legenda
Bij dit veld is invoer verplicht.

vakartikelen

Artikelen 1 tot 20 van 56

1 2 3

Artikelen 1 tot 20 van 56

1 2 3

Overzicht alle vakartikelen

Verkeerskunde is een uitgave van ANWB.
© 2019 www.verkeerskunde.nl - alle rechten voorbehouden.