‘In het verleden zijn veel studies gedaan naar de effecten van lokale DVM-maatregelen. Daar is een goede evaluatiemethode voor ontwikkeld. Nu zijn we bezig om deze methode te generaliseren voor pakketten DVM-maatregelen en voor meer aandachtsgebieden dan alleen de doorstroming. Een nog een braakliggend terrein’, meent Henk Taale, inmiddels 18 jaar als verkeerskundige verbonden aan de Dienst Verkeer en Scheepvaart (DVS) van Rijkswaterstaat.
‘Bij het evalueren van DVM-maatregelen kijken we nu ook naar milieu en gedrag’, licht Taale toe. ‘Snappen mensen de signalen op en langs de weg? Worden ze daadwerkelijk gebruikt? En wat we de laatste jaren ook pas goed zijn gaan doen, is het analyseren van de kosteneffectiviteit van maatregelen. In het verleden is dat weinig gedaan. Nu wordt de vraag gesteld of het bijvoorbeeld effectiever is te investeren in informatie voor de weggebruiker of dat het beter regelen van het verkeer meer oplevert.’
Evalueren en kennisoverdracht
Taale heeft zich bij Rijkswaterstaat altijd beziggehouden met het meten en berekenen van effecten van DVM. Niet vreemd dus dat hij vindt dat voor goede beslissingen over DVM, modelberekeningen, het evalueren van toepassingen in de praktijk en op basis daarvan het bijstellen van beleid van belang zijn. ‘Dat laatste is een punt dat nog meer aandacht behoeft. Het is ook goed te doen, mits evaluaties meer uniform worden uitgevoerd. Daarnaast is de sterk toegenomen aandacht voor onderhoud, een goede nieuwe ontwikkeling. En dan bedoel ik vooral verkeerskundig onderhoud, zoals het bijstellen van verkeerslichtenregelingen. Verkeerssituaties wijzigen immers in de tijd. Uit evaluaties is gebleken dat het Groene Golf Team van FileProof veel winst boekt met het bijstellen van verkeerslichten. Voor andere maatregelen zou dergelijk onderhoud ook effectief kunnen zijn.’
Verder wijst Taale op het feit dat er steeds meer verkeersdata beschikbaar zijn. ‘Sinds kort is Rijkswaterstaat met andere wegbeheerders bezig al die data samen te brengen in de Nationale Databank Wegverkeersgegevens. Dan hebben we de gegevens van het hoofdwegennet, de provinciale en stedelijke wegen bij elkaar. Dat levert interessante mogelijkheden op. Zo kunnen we maatregelen beter analyseren en evalueren.’
Wegkantsystemen blijven
Op de vraag welke invloed technische mogelijkheden hebben op de ontwikkeling van DVM, antwoord Taale: ‘DVM is in zijn 25- à 30-jarig bestaan niet veel veranderd. De techniek is wel anders, maar de signalen zijn hetzelfde. Daarom verwacht ik dat wegkantsystemen nog lang zullen blijven. Er wordt veel verwacht van in-car systemen, maar het is vooral de auto-industrie die in-carsystemen stimuleert. De ontwikkeling is aan de ene kant gericht op veiligheid, bijvoorbeeld intelligente snelheidsadaptie (ISA). Aan de andere kant kunnen navigatiegebruikers kiezen voor services voor betere doorstroming. Althans, dat beloven de producten. Maar als iedereen via zijn routenavigatiesysteem een alternatieve route krijgt aangereikt, dan loopt zo’n route snel vast, dat is eenvoudig met modelstudies aan te tonen. Wegbeheerders blijven daarom DVM nodig hebben om het verkeer goed te kunnen sturen.’ In het verlengde daarvan wijst de senior adviseur bij DVS op kansen voor netwerkmanagement: ‘Het op netwerkniveau coördineren van maatregelen staat nog in de kinderschoenen.’
‘DVM is de afgelopen jaren sterk ontwikkeld.’ Jaap van Kooten, directeur van Arane Adviseurs in Verkeer en Vervoer, vat de in zijn ogen belangrijkste ontwikkelingen op drie hoofdpunten samen: de toegenomen aandacht voor verkeersmanagement en het beperken van verkeershinder bij wegwerkzaamheden, het tactisch kader voor verkeersmanagement en de gecoördineerde inzet van DVM op netwerkniveau.
‘DVM is in de afgelopen jaren in de eerste plaats sterk ontwikkeld door de toegenomen aandacht voor verkeersmanagement en het beperken van verkeershinder bij de bouw, aanleg, beheer en onderhoud van wegen’, begint Van Kooten. ‘De laatste paar jaar zijn wegbeheerders en bouwondernemingen steeds intenser gaan samenwerken. Na het project A10 West is de notie ontstaan dat verkeershinder is te voorkomen door er concreet werk van te maken. Bij de gunning van wegwerkzaamheden weegt tegenwoordig het beperken van verkeershinder zelfs het zwaarst. Dit geldt ook steeds vaker voor kleinere lokale bouwprojecten. Daarom schakelen bouwondernemingen steeds vaker verkeerskundigen in om deel te nemen aan het bouwteam. Hun taak is om met verkeersmodellen en andere verkeergegevens de verkeerssituatie te analyseren, samen met de bouwers de bouwfasering te optimaliseren en maatregelen in te zetten om de verkeershinder te beperken. Nu is die werkwijze, als logisch vervolg op A10 West, ingebed in allerlei processen en wordt het op grote schaal toegepast. De meerwaarde van deze verkeersmanagementaanpak heeft zich inmiddels bewezen in een groot aantal regio’s.’
Tactisch kader
De tweede ontwikkeling is volgens Van Kooten, een tactisch kader voor verkeersmanagement, aanvullend op de aanpak voor gebiedsgericht benutten (GGB). Hij stelt dat GGB in theorie een mooie netwerkgerichte aanpak is, maar dat de uitvoering in de praktijk toch vaak knelpuntengericht is. ‘Een goede tussenstap is een tactisch kader tussen de strategische beleidsvisie en de operationele inzet. Zo’n kader houdt in dat je vaststelt hoe je netwerk moet functioneren en je vervolgens het netwerk conform deze functies ontwerpt en inricht. Als het ontwerp van het netwerk ideaal is, dan zou je theoretisch gezien niets meer met verkeersmanagement hoeven te doen. In de praktijk blijkt dat we nog ver weg zijn van het ideale ontwerp en dit om economische redenen ook nooit zullen realiseren. Daarom zal er altijd sprake zijn van het efficiënt benutten van de aanwezige infrastructuur.
Dat doe je in eerste instantie door gebruik te maken van het zelforganiserende vermogen van de weggebruikers, door hen bij drukte actuele verkeersinformatie aan te bieden. En als het zo druk wordt dat je het met het zelforganiserend vermogen van de weggebruikers niet redt, dan is het sturen met verkeersregelingen en informatie de enige mogelijkheid om de schaarse verkeersruimte te verdelen. Zowel bij het informeren als het sturen wordt gebruik gemaakt van de beleidsmatig gewenste functies van het netwerk die vastgelegd zijn in het tactisch kader. Met deze werkwijze stap je af van het ad hoc oplossen van knelpunten en werk je regionaal aan de robuustheid van het gehele netwerk. Naast het bevorderen van de doorstroming kan verkeersmanagement ook een veel actievere rol spelen voor verkeersveiligheid en leefbaarheid.’
Gecoördineerd netwerkmanagement
En dan is er nog de gecoördineerde inzet van DVM op netwerkniveau: het coördineren en informeren van álle maatregelen in een gebied. ‘Dit wordt nu beproefd in het Fileproof-project ‘Verbetering doorstroming A10’, waarbij er een coördinatie tot stand wordt gebracht tussen toeritdoseersystemen, verkeersregelinstallaties en DRIPs om blokkades te voorkomen en het verkeer op de rijksweg door te laten stromen. Met hier wat knijpen en daar wat ruimte te bieden, is een algehele verbetering van de doorstroming op het netwerk te realiseren. In en om Amsterdam, worden circa 30 DRIPs, 40 toeritdoseersystemen en verkeersregelinstallaties in samenhang ingezet. Een dergelijke zwaar gecoördineerde inzet van verkeersmanagement is wereldwijd uniek in soort en omvang.’
‘Verkeersmanagement is meer dan alleen ‘DVM-spullen plaatsen’. Dat besef begint nu door te dringen, aldus Marcel Westerman, na 10 jaar werkervaring in het vakgebied nu zelfstandig adviseur onder de naam MARCEL. Hij geeft aan dat er de afgelopen periode goede dingen zijn gebeurd op het gebied van benutten en verkeersmanagement maar dat er toch ook nog wel heel wat te doen is.
‘Van de drie beleidspijlers in de Nota Mobiliteit: Bouwen, Beprijzen en Benutten, is Benutten nog niet goed georganiseerd. En dat terwijl algemeen wordt erkend dat er toch behoorlijke resultaten van te verwachten zijn. Zeker als het gaat om het beperken van de effecten van verstoringen, veroorzaakt door de toenemende drukte op de wegen, die ook steeds grotere gevolgen hebben voor de verkeersafwikkeling op regionale schaal’, zo schetst Westerman de context.
‘Benutten en verkeersmanagement zijn relatief jonge vakgebieden en nog volop in ontwikkeling. Zo ging het vroeger met name - en misschien eigenlijk wel alleen - om het kopen en neerzetten van ‘spullen’, zoals dynamische route-informatiepanelen (DRIPs), verkeersregelinstallaties (VRI’s) en autosnelwegsignalering. Overdreven gezegd werd er daarna nauwelijks meer omgekeken naar deze maatregelen. Steeds meer ontstaat gelukkig het besef dat verkeersmanagement méér is. Met name het goed organiseren van het beheer en onderhoud van maatregelen, waarbij het functionele of verkeerskundige beheer - dat wil zeggen: de verkeerskundige werking van de maatregelen - heel belangrijk is. De organisatie wordt ook steeds belangrijker omdat er eigenlijk geen wegbeheerder in Nederland is die nog ‘voor zichzelf bezig is’.
Om de weggebruikers een zo goed mogelijke verplaatsingskwaliteit te bieden, werken wegbeheerders steeds meer samen. En dat stelt hoge eisen aan de manier waarop je dat organiseert. Vragen over gezamenlijke taken, rollen, processen, verantwoordelijkheden en bevoegdheden worden dan minstens zo belangrijk als het hebben van de juiste maatregelen.’ Volgens Westerman wordt verkeersmanagement steeds meer beschouwd als een ketting die bestaat uit sterk samenhangende bouwstenen of schakels; en een ketting is nu eenmaal zo sterk als de zwakste schakel. ‘Naast maatregelen en organisatie worden daarbij ook inwinning, verkeerscentrales en weggebruikers onderscheiden. Het een kan niet zonder het ander.’
Programmatische aanpak van benutten
Westerman stelt dat nu de inhoud van het vakgebied steeds beter georganiseerd lijkt te gaan worden, het ook tijd is om de wijze te verbeteren waarop het vakgebied zelf is georganiseerd en is opgehangen in de beleidsmatige, bestuurlijke en politieke context. ‘Structurele en - enigszins - uniforme programmering, besluitvorming en financiering, voorzien van een structurele evaluatie en een heldere aansturing, worden node gemist op het gebied van benutten en verkeersmanagement.’ In dat opzicht verwacht Westerman veel van de actie vanuit het ministerie van Verkeer en Waterstaat om te komen tot een programmatische aanpak voor benutten. Westerman: ‘De aankomende periode zal hieraan samen met provincies, gemeenten, stadsregio’s en Rijkswaterstaat gewerkt gaan worden en dit zie ik als een hele goede stap voorwaarts op weg naar benutten als een volwaardige beleidspijler.’
Verkeerskunde is een uitgave van ANWB.
© 2012 www.verkeerskunde.nl - alle rechten voorbehouden.