Zoeken naar een bovenal menselijk mobiliteitssysteem

maandag 26 januari 2015 Karel Martens 0 reacties 289x gelezen

Hoe vertaalt de wetenschap trends naar onderzoek en onderwijs? Karel Martens van de Radboud Universiteit ziet kansen voor een menselijk mobiliteitssysteem, maar dat gaat niet lukken zonder een visie op het vakgebied. En vooralsnog is de verkeerskundige nog veel te veel de loodgieter die even een lek komt dichten. 

Karel Martens is Universitair hoofddocent aan de Radboud Universiteit Nijmegen

Karel Martens is Universitair hoofddocent aan de Radboud Universiteit Nijmegen

‘Als belangrijkste maatschappelijke trends zie ik op dit moment: verdergaande diversiteit, duurzaamheid, toenemende onvrede over ongelijkheid en een nieuwe rol voor de overheid. De diversiteit zie ik toenemen in huishoudensamenstelling, wooncarrière, werkcarrière en gedrag. Daar past de deeleconomie bij: niet iedereen kiest altijd meer voor (auto of zelfs fiets-) bezit. Peak travel kan een resultaat zijn, maar dat is afhankelijk van de balans tussen de verschillende leefstijlen en van de maatregelen die gedrag mogelijk maken, uitlokken, of (on)aantrekkelijk maken.

Duurzaamheid is ten minste al twee decennia een trend. Voor de meeste burgers is het nu wel duidelijk dat we daar aan moeten werken en dat het niet kan worden genegeerd, hoewel de overheid dat vaak toch blijft doen.  Verder signaleer ik toenemende onvrede over ongelijkheid. We hebben het te druk (waarmee eigenlijk?) om actie te ondernemen, om de barricaden op te gaan, maar onderhuids stijgt onvrede  over de enorme toename van de inkomensongelijkheid. We zijn van burger consument geworden die alleen nog actie voert via sociale media. Zo lijkt het tenminste. Of zal die onvrede zich toch een keer vertalen in een duidelijke roep dat het anders moet? Misschien een trend in de dop is dat in het volle besef dat de overheid het niet alleen kan, ook het besef groeit dat de overheid toch wel (verdomd) veel sturing kan geven aan de maatschappij, als ze zou willen.

In mijn eigen werk klinken duurzaamheid en de zorg over ongelijkheid rechtstreeks door. De nadruk in het duurzaamheidsdebat lag lang op de uitwisseling tussen economie en ecologie. De equity component is daarbij grotendeels vergeten. Het is echter onaanvaardbaar dat we ons wel zorgen maken over toekomstige generaties, maar de minder bedeelden van onze eigen generatie er (te) bekaaid van af laten komen. Dat idee zit wel in duurzaamheid, maar krijgt te weinig aandacht. De verschuiving van de drie E’s (economy, ecology, equity) naar de drie P’s (people, planet, profit) heeft daarbij alleen maar averechts gewerkt, want het begrip ‘people’ laat volledig open om wie het gaat. De zorgen over de inkomensongelijkheid  zijn van recenter datum (occupy movement), maar krijgen wel snel meer aandacht.

In mijn werk komen de ‘E’ van duurzaamheid en de toenemende zorg over ongelijkheid terug in de notie van rechtvaardigheid. Die notie is fundamenteel geweest in de vorming van de moderne welvaartstaat en klinkt (nog steeds) door in vele beleidsterreinen. Het is mijn ambitie om die notie ook handen en voeten te geven in het domein van verkeer en vervoer. Wat is een rechtvaardig mobiliteitsysteem? Betekent dat voor iedereen een auto? Wat komt minder validen toe? Mag jouw mobiliteit afhangen van je inkomen? Als wetenschapper heb ik de ruimte om over deze cruciale vragen na te denken. Maar het is natuurlijk meer dan een wetenschappelijke exercitie. Het zijn ook vragen die de burger, de volksvertegenwoordiging en uiteindelijk ook de overheid zichzelf zouden moeten stellen.

Als grootste bedreiging voor het vakgebied verkeer, vervoer en mobiliteit in 2015 zie ik voortzetting van de reactieve benadering in verkeer en vervoer. Daarmee bedoel ik dat we het als onze belangrijkste taak zien - als professionals die vaak direct of indirect ten dienste van een overheid en dus van de gehele maatschappij werken - om brandjes te blussen. Hier een verkeerslichtje anders afstellen, daar een vrijliggend fietspad realiseren, ergens verderop een rotonde aanleggen, en weer ergens anders een wegstrook er bij leggen. Dat alles in reactie op ‘problemen’, op echte of vermeende problemen. Daarbij verliezen we al te gemakkelijk twee vragen uit het oog. Eén: wat is de rol van de overheid? Twee: hoe passen die kleine ingrepen in een aantrekkelijk toekomstperspectief? Het zijn vragen die te weinig worden gesteld. We opereren als professionals ten dienste van de maatschappij, te veel als loodgieters die het lek wel even komen dichten. Daarmee levert het vakgebied geen echte bijdrage aan een wenkend toekomstperspectief. En vergeten we soms ook bijtijds een streep te trekken: Uw (mobiliteits)probleem is misschien wel vervelend, maar toch echt geen taak van de overheid.

De grootste kans voor het vakgebied daarentegen, nu en in de verdere toekomst, is om los te komen van deze reactieve benadering en om kleine problemen aan te pakken (of niet) vanuit een visie op de rol van verkeer en vervoer in de maatschappij. Hoe kan verkeer en vervoer er aan bijdragen dat iedereen activiteiten kan bereiken en zo het beste uit zichzelf kan halen? Hoe kan verkeer en vervoer bijdragen aan aantrekkelijke steden en regio’s waar mensen graag willen wonen, werken en recreëren, nu en in de toekomst? De technologie biedt nieuwe kansen, maar die technologie zou niet leidend moeten zijn in deze discussies. De  vraag moet juist zijn: hoe kan die technologie bijdragen aan een aantrekkelijk en rechtvaardig mobiliteitssysteem? Dus liever een half miljard euro naar maatregelen die passen in een lange termijn visie, dan een ondoordachte subsidie op elektrische auto’s. Zonder visie lopen we de echte kansen mis.

Zelf wil ik in dit voorjaar mijn boek over rechtvaardigheid en mobiliteit afronden. Mijn hoop is dat dit  boek professionals, politici, maar ook belangengroepen kan helpen in de zoektocht naar een aantrekkelijk en bovenal menselijk mobiliteitsysteem. Mijn droom is een wethouder die zijn of haar beleid gaat schoeien op de gedachten die ik in het boek ontvouw. En dat mag overigens ook best in 2016!’ 
  

Over de auteur
Karel Martens is Universitair hoofddocent aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

Martens verricht theoretisch en empirisch onderzoek op het gebied van mobiliteit en rechtvaardigheid, parkeren, en mobiliteit en ruimte. En geeft onderwijs in het bachelor programma Geografie, Planologie en Milieu en in het master programma Planologie. In 2014 werd hij uit een Verkeersnet-enquête uitgeroepen tot meest inspirerende verkeerskundige.


Reageren

Invoer verplicht
Invoer verplicht
Invoer verplicht

 

 

















 

Legenda
Bij dit veld is invoer verplicht.

Verkeerskunde is een uitgave van ANWB.
© 2018 www.verkeerskunde.nl - alle rechten voorbehouden.