‘Wij kunnen verdwalen op één vierkante meter’

‘Als architecten en ontwerpers de richtlijnen standaard toepassen, zijn belangengroepen niet meer nodig’

donderdag 26 oktober 2017 Nettie Bakker 78x gelezen

Hoe ervaart de mens met beperkingen de toegankelijkheid van de openbare ruimte? Een gesprek met Bert Vos, hij is slechtziend en vervult verschillende functies binnen verschillende belangengroepen. Zijn wens: ‘Ik zou willen dat architecten en aannemers op cursus gaan en leren om de toegankelijkheidsrichtlijnen ook daadwerkelijk toe te passen.’ Tot die tijd pakt Vos desnoods zelf de kwast om een veilige oversteekplaats te schilderen.
Bert Vos is onder meer voorzitter van het platform gehandicapten in de gemeente Leek

Bert Vos is onder meer voorzitter van het platform gehandicapten in de gemeente Leek

Bert Vos is slechtziend en voorvechter van een toegankelijke openbare ruimte, voor zichzelf, en voor talloze medemensen met een keur aan beperkingen. Vos beïnvloedt de buitenwereld vanuit verschillende functies. Zo is hij lid van de werkgroep mobiliteit van de landelijke Oogvereniging, bestuurslid van de regiogroep Groningen en voorzitter van het platform gehandicapten in Leek. Dit platform geeft gevraagd en ongevraagd advies over de inrichting van de openbare ruimte. Een ongevraagd advies is bijvoorbeeld om een zebrapad aan te leggen in een shared-space-gebied. Een zebrapad wordt gezien als een schijnveilige maatregel, heeft Vos intussen begrepen. Maar de Leekse wethouder is al om, zegt Vos. ‘Nu de raad nog. Desnoods schilder ik het zebrapad zelf.’

 

Echt verbeterd

Ondanks het ontbrekende zebrapad noemt Vos de verstandhouding van het platform met de gemeente ‘echt verbeterd’. ‘Wij worden al bij de bestektekeningen betrokken en houden ook gaandeweg contact.’ Want hoewel geleidelijnen tegenwoordig al worden ingetekend, de praktijk wil wel eens weerbarstiger zijn. Bovendien gaat het bij toegankelijkheid over een scala aan beperkingen van mensen. Zo is er een groot verschil aan oplossingen voor mensen in een rolstoel en slechtzienden. En voor verstandelijk gehandicapten moet je met weer andere zaken rekening houden. Een glow-in-the-dark-toepassing die dient als oversteekplaats, wordt bijvoorbeeld niet als zodanig herkend door deze mensen. Zij zien willekeurig gestrooide lichtjes op de grond en begrijpen het doel ervan niet.

 

 

Bij de bron aanpakken

Een grote ergernis van Vos is dat er al veel richtlijnen en integrale toegankelijkheidstandaarden zijn die worden beheerd door PBT-Consult, voorheen het Projectbureau Toegankelijkheid. ‘Wij zouden als belangengroepen dus helemaal niet nodig zijn als architecten en ontwerpers deze richtlijnen standaard zouden toepassen. Ik zou wensen dat zij allen nog eens op cursus gaan en leren om deze standaarden daadwerkelijk te gebruiken. Als we toegankelijkheid bij de bron kunnen aanpakken, zijn we al een stuk verder.’


Tot dusver signaleert Vos nog vele problemen: maatregelen houden soms zomaar op of gaan op een andere manier verder. Geleidelijnen van ProRail zijn bijvoorbeeld uitgevoerd volgens een standaard richtlijn. Daarmee zijn ze eenduidig en voorspelbaar. Die van gemeenten of provincies wijken daar vaak van af. Daar is nog veel te winnen.

 

Een oplossing die Vos erg waardeert is een verlaagd aangelegde geleidelijn in Leek die voor rolstoelers makkelijk overrijdbaar is. Een blijvend probleem voor Vos en lotgenoten zijn daarentegen de shared-space-gebieden. ‘We zijn er echt op tegen. Als blinden en slechtziende kunnen wij verdwalen op de vierkante meter. Ze zeggen dan: het is veilig want mensen letten op elkaar, maar wij kunnen geen oogcontact maken.’

 

Oogvereniging
Ingeborg van der Pijl is projectcoördinator mobiliteit en toegankelijkheid bij de Oogvereniging en sluit aan op het verhaal van Bert Vos. ‘De Oogvereniging werkt veel samen met andere belangenverenigingen op het gebied van toegankelijkheid en is ook aangesloten bij de koepelorganisatie Ieder(in). Lokaal werkt de Oogvereniging vaak samen in gehandicaptenplatforms.

 

Belangenverenigingen zouden zeker meer samen kunnen optrekken richting wegbeheerders en ontwerpers. Maar binnen die verbanden blijven we ons als Oogvereniging ook expliciet inzetten voor het inzichtelijk maken van wat nodig is voor blinde en slechtziende weggebruikers, want er is nog veel onbekendheid en daardoor soms ook onbegrip. Iemand die blind is heeft behoefte aan voelbare structuren, denk aan geleidelijnen. Slechtziende weggebruikers hebben juist goed contrast nodig om hun weg veilig te kunnen vinden, zoals duidelijke markeringen van hoogteverschillen en van fietspaden.’


Steun in de rug
De verenigingen werken aan ‘checklists’ voor een inclusief ontwerp. Van der Pijl: ‘Zo’n checklist is er bijvoorbeeld al voor gezondheidszorginstellingen, musea en kinderpoliklinieken. Het ontbreekt nog aan overkoepelende richtlijnen, normen en regelgeving. Wat er is, wordt lang niet altijd toegepast. Het wiel moet te vaak opnieuw worden uitgevonden. In opleidingen is bovendien te weinig aandacht voor inclusief ontwerp. Belangenorganisaties kunnen het niet alleen. Het VN-verdrag voor rechten van mensen met een beperking vormt wat dat betreft een steun in de rug.’

 

Verkeerskunde is een uitgave van ANWB.
© 2018 www.verkeerskunde.nl - alle rechten voorbehouden.