Ken uw fietser
maandag 17 maart 2014
timer 4 min

Karin Broer, journalist

Hoe fietsen we eigenlijk? Gewoon, we fietsen gewoon. Je hebt het geleerd na een proces van zijwieltjes, meelopende ouders en vallen en opstaan. Maar hoe we dit stalen ros op twee wielen precies in bedwang houden? Daar weten we eigenlijk weinig van.

Twee jaar terug kregen Arend Schwab en Jodi Kooyman, onderzoekers van TU Delft, wetenschappelijke erkenning dankzij een artikel in Science. Zij bewezen wiskundig waarom de fiets niet omvalt. Het belangrijkste principe van de fiets is dat je naar links stuurt als de fiets dreigt te vallen naar links en je naar rechts stuurt als de fiets dreigt te vallen naar rechts. Dat is niet iets wat wij fietsers met onze volle verstand doen. Sterker, de fiets doet het zelf. De fiets is bij een bepaalde snelheid zelfstabiel. Bij een gewone stadsfiets ligt dat rond de 15 kilometer per uur.

Er is veel ophef over automatisch rijdende auto’s, maar de fiets is al sinds 1890 zelf stabiel. Niet meer aan komen, dan gaat de fiets wel door - zie Jour de Fête van Jacques Tati. Probleem is dat we ergens naar toe moeten, en de weg naar onze bestemming is meestal geen rechte lijn, er zijn verkeerslichten, automobilisten, toeristen, voorrangsregels enzovoort.enzovoort. Een fiets heeft dus een bestuurder nodig. En zo heb ik geleerd bij de TU Delft, met het stuur doe je twee dingen: je zorgt dat je rechtop blijft en je stuurt waar je naar toe wilt. De mannen van de TU Delft weten heel veel van de fiets, maar nog niet zoveel van de fietser. Wat doet de mens op een fiets?


Er zijn in Nederland op allerlei plekken fantastische simulatoren (zo heeft de zeevaartschool op Terschelling een simulator van de brug van een vrachtschip waar je serieus zeeziek kan worden), autorijles begint tegenwoordig vaak in een simulator. Maar een fietssimulator bestaat nog niet. In Delft zijn ze er wel mee bezig geweest, maar ze kwamen er al snel achter dat een fietser niet alleen zicht op de weg nodig heeft om virtueel balans te houden, maar ook de krachten moet voelen die op zijn stuur in werken. Wat doen we tijdens het fietsen, we gebruiken onze zintuigen: we kijken, we gebruiken ons evenwichtsorgaan, we voelen, we voelen de krachten. Maar hoe dat precies gaat, dat weten ze bij de TU Delft nog niet, en hun collega’s op andere universiteiten ook niet. De factor mens op de fiets is een behoorlijk terra incognito.

Dat blijkt ook in het fietsveiligheidsonderzoek. Nog niet zo heel lang geleden werd duidelijk dat meer dan de helft van de fietsongevallen eenzijdige ongevallen zijn. Mensen vallen van hun fiets. Waarom ze vallen, daar weten we ondanks het geweldige onderzoekswerk van Paul Schepers van Rijkswaterstaat, nog steeds weinig van af. De infrastructuur speelt een rol: paaltjes, stoepranden, verraderlijke richeltjes, gladheid, maar wat gebeurt er precies in die laatste momenten voorafgaand aan een val of een bijna ongeluk? Waarom vallen oudere fietsers vaker?

Als we meer zouden weten van de fietser (van onszelf op de fiets), dan zou infrastructuur er anders uitzien. Een van de leukste artikelen over het gebruik van fietsinfrastructuur verscheen in 2012 in Verkeerskunde (Het kruispunt en de fietser VK 5/2012). Het is van Marco te Brömmelstroet, onderzoeker van de UvA. Hij filmde twee kruispunten waaronder het kruispunt bij het Amsterdam Rijksmuseum, in de tijd dat de onderdoorgang nog dicht was. Niet geheel verbazingwekkend - het zijn Amsterdamse fietsers -, bleek dat fietsers vaak andere routes kiezen over het kruispunt dan de verkeerskundig ontwerpers voor ogen hadden. Fietsers kiezen zogenaamde ‘olifantenpaadjes’ vooral bij het linksaf slaan. Ze snijden af en kiezen de directe route. Dat doen ze omdat ze dan minder vaak moeten stoppen, fietsers haten stoppen, want dat is  energieverlies.

Dat is een bekend gegeven, waar gemeentelijke ontwerpers te weinig aan denken, het is deel van het gedrag van fietsers. Als we nog meer zouden weten van het gedrag van fietsers, dan zouden we veiliger en betere fietsinfrastructuur kunnen ontwerpen: als we weten hoe een ideale bocht eruit ziet, weten waar fietsers door worden afgeleid, waar de kritieke locaties zijn op de weg (waar het wegdek dus egaal en stroef moet zijn), welke richeltjes precair. Dan zou je echt ideale fietsinfrastructuur kunnen gaan aanleggen. En dan moet je inderdaad beginnen bij de fiets en niet bij de auto of het ov. In de tussentijd kan een gemeente zonder zich het hoofd te breken over de psyche van de fietser, simpelweg beginnen met het verbieden van het gebruik van stelconplaten op fietsroutes, paaltjes op te ruimen, de gladheidbestrijding te verbeteren, stoepranden te verlagen, tegelpaden te asfalteren, gaten in de weg te repareren, enzovoort.  

Karin Broer

Auteur

Reactie plaatsen

Beperkte HTML

  • Toegelaten HTML-tags: <a href hreflang> <em> <strong> <cite> <blockquote cite> <code> <ul type> <ol start type> <li> <dl> <dt> <dd> <h2 id> <h3 id> <h4 id> <h5 id> <h6 id>
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Web- en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Lazy-loading is enabled for both <img> and <iframe> tags. If you want certain elements skip lazy-loading, add no-b-lazy class name.
mail_outline

Aanmelden voor de nieuwsbrief

Ontvang één keer per week het laatste nieuws van Verkeerskunde.

* verplichte velden