De explosieve groei van automobiliteit

donderdag 12 maart 2020
timer 6 min

Het CBS heeft op basis van historische gegevens een langjarige, consistente tijdreeks samengesteld met gegevens over diverse motorvoertuigen vanaf 1927. Deze lange tijdreeks vormt de basis voor een artikel dat ingaat op de ontwikkeling van het aantal personenauto’s tussen 1927 en 2019. In die tijd groeide het aantal personenauto’s explosief van 41 duizend naar 8,5 miljoen.

Door Hermine Molnár-in ’t Veld en Wiet Koren, CBS

Deze ontwikkeling van de automobiliteit wordt gekenmerkt door verschillende fases die afzonderlijk worden genoemd, waaronder de ontwikkeling van het aantal personenauto’s onder de beperkende omstandigheden van de bezettingsjaren, de relatie met de groei van de Nederlandse bevolking en het forensisme.

Voor de totstandkoming van dit historische overzicht is het ‘Onderzoek lange tijdreeks motorvoertuigen’ uitgevoerd. Beschikbare databronnen zijn bijeengebracht, ontbrekende data zijn bijgeschat. Breuken in de tijdreeks die in de loop van de tijd zijn ontstaan door bijvoorbeeld wijziging van bronnen, veranderingen van definities, wijzigingen in samenstelling van voertuigcategorieën en verlegging van de peildatum, zijn gerepareerd.

Autodichtheid

Het autopark
Bij de eerste uitgave van de ‘statistiek motorvoertuigen’ in 1927 zijn 41 duizend personenauto’s geregistreerd, in 1939 waren dat er al 98 duizend. De Tweede Wereldoorlog onderbrak de groei, maar al in 1949 was de grens van 100 duizend personenauto’s bereikt. In 1965 waren er al 1 miljoen, vier jaar later 2 miljoen. In 2019 staat de teller op 8,5 miljoen personenauto’s. 

De bezetting
Begin 1940 waren er circa 100 duizend personenauto’s. Ten tijde van de bezetting waren gegevens over voertuigen van strategisch belang voor de Duitse bezettingsmacht. Op de gegevens van de motorvoertuigenstatistiek van het CBS was dan ook geheimhouding van toepassing. Ten tijde van de bezetting werd het aantal voertuigen niet meer of niet langer op dezelfde manier geregistreerd als voor de oorlog. Autorijden was in de bezettingsjaren slechts mogelijk met een rijvergunning, en de vereisten voor het verkrijgen van een vergunning veranderden tijdens de bezetting.

foto 2

Het forensisme
Een stimulans voor de naoorlogse vraag naar auto’s was de ontwikkeling van het forensisme, het woon-werkverkeer. De omvang van de forensenstromen blijkt uit de volkstellingsgegevens. Het aantal buiten de woongemeente werkzame personen nam toe van 544 duizend (1947) naar 1,1 miljoen (1960) tot 1,6 miljoen (1971): een verdrievoudiging. De woningnood was een factor, maar ook de spreiding van industrievestigingen en de afnemende agrarische werkgelegenheid droegen bij aan de forensenstroom. Toen tegen het einde van de jaren zestig de woningnood in de kleinere gemeenten oploste en tegelijkertijd de woonmilieus in de grote gemeenten achteruitgingen, gingen steeds meer mensen buiten de stad wonen. De woon-werkstromen zijn sindsdien flink gegroeid. In 1947 werkte 15 procent van de beroepsbevolking buiten de woongemeente, in 1960 was dat 27 procent en in 1971 34 procent. In 2017 was het aandeel forensen onder werknemers toegenomen tot 63 procent.

De vrijheid
De auto kwam tegemoet aan het verlangen naar vrijheid in combinatie met toenemende vrije tijd. Mensen trokken er met de auto op uit. Al in de jaren vijftig ontstonden de eerste files, die aanvankelijk een vrijetijdsverschijnsel waren: opstoppingen op de wegen in de weekenden, tijdens hoogtijdagen met Pasen en Pinksteren en in de zomervakanties. De auto was een begerenswaardig product waarvoor het bestedingspatroon graag werd aangepast.

foto 3 bovenaanzicht file

De autodichtheid
De relatieve groei van het autopark is zeker zo indrukwekkend. Het voor bevolkingsgroei gecorrigeerde aantal auto’s groeide van 12 personenauto’s per duizend inwoners in 1950, naar 41 auto’s per duizend inwoners in 1960, 167 in 1970 en 300 in 1981. In 2000 was de autodichtheid al 400 per duizend inwoners. Begin 2019 stond de teller op 494, dat is bijna 1 personenauto op elke 2 inwoners.

Toekomst
De opmars van de auto sinds 1927 was ongekend: in 2019 zijn er 207 maal zoveel personenauto’s dan bij de start van de tijdreeks. Enkel door de omstandigheden in de Tweede Wereldoorlog daalde het aantal auto’s fors om daarna weer snel te herstellen. De populariteit van de personenauto is ongekend hoog en wetenschappers signaleren een steeds grotere afhankelijkheid van de auto. Jongere generaties daarentegen bezitten weliswaar minder vaak een auto maar de meesten onder hen hebben wel een rijbewijs. Dat leidt tot de vraag of het lagere autobezit onder 18- tot 30-jarigen een voorbode zou kunnen zijn van een afname van het aantal personenauto’s of dat er alleen sprake is van uitgesteld autobezit?

Meer info
De groei van het Nederlandse personenautopark

onderzoeksbeschrijving van de Lange tijdsreeks Motorvoertuigen
StatLinetabel met open data

Geplaatst door

minstens zo interessant is de ontwikkeling van het totaal aantal afgelegde kilometers en motordraaiuren

Reactie plaatsen

Beperkte HTML

  • Toegelaten HTML-tags: <a href hreflang> <em> <strong> <cite> <blockquote cite> <code> <ul type> <ol start type> <li> <dl> <dt> <dd> <h2 id> <h3 id> <h4 id> <h5 id> <h6 id>
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Web- en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Lazy-loading is enabled for both <img> and <iframe> tags. If you want certain elements skip lazy-loading, add no-b-lazy class name.
mail_outline

Aanmelden voor de nieuwsbrief

Ontvang één keer per week het laatste nieuws van Verkeerskunde.

* verplichte velden